Tsjilp jij een mondje mee over vogelnamen?

18 maart 2021

Beter één vogel in de hand dan tien in de lucht. Een vogel voor de kat. Vrij als een vogel. Op het vinkentouw zitten. De hoofdvogel afschieten. De vogel is gaan vliegen. In onze dagelijkse taal vliegen de gevleugelde spreekwoorden je om de oren. En omdat het niet altijd loodzwaar moet zijn, deze keer dus een vederlicht onderwerp: vanwaar komen de namen voor vogelsoorten?

De vinnige vinkjes

Laten we meteen een eenvoudig te verklaren vogelnaam … afvinken: ‘vink’ is een klanknabootsing van het geluid dat het beestje maakt. “Goh, spannend!” Om dat flauwe verhaal toch wat smaak te geven, serveren we er graag de etymologie van de ‘blinde of loze vink’ bij. Een eeuw geleden aten rijke stinkerds een vinkje als peperdure delicatesse. Hun arme medemensen boetseerden vinkenvormpjes uit kalfsvlees. Die hebben uiteraard geen ogen, waardoor ze als ‘blinde vinken’ bekendstaan.

De wervelende wielewaal

Om ‘wielewaal’ te verklaren, moeten we ver terug in de tijd. Tot het moment waarop in het West-Germaans de term ‘widuwalo’ ontstond. Daarin staat ‘widu-’ voor ‘bos’ of ‘hout’ en ‘-walo’ voor ‘roepen’. Met een potige Pritt-stift in de hand plak je die twee samen tot ‘bosroeper’ – jawel, met tweemaal een ‘r’ en maar één ‘p’. “Hoezo? In ‘Van vlees en bloed’  hadden ze het dan toch niet over een wielewaal?”

De joviale jan-van-gent

Klaar om even richting taalkundig Absurdistan te klapwieken? Bij een jan-van-gent heeft het laatste deel van de naam niets te maken met ‘Gent’. En ‘jan’ al evenmin met een specifieke voetbaltrainer of een minister-president. Wel met een algemene verwijzing zoals in ‘Jan met de Pet’ of ‘Jan Modaal’. ‘Gent’ staat voor ‘ganzerik’ of ‘mannetjesgans’ – niet voor de hippe negorij aan de samenvloeiing van Schelde en Leie. Dat zou veel te beperkt zijn, want je spot deze watervogel van aan het Middellandse Zeegebied tot aan de Noordpool en langs de Amerikaanse oostkust tot in de Caraïben.

De orakelende ooievaar

Voor ‘ooievaar’ hebben we twee suggesties op het menu. Ofwel kan je voor de verklaring uitgaan van de combinatie tussen het Oudnederlandse ‘uda’ (moeras) en ‘faran’ (loper). Zo kom je uit bij ‘moerasganger’ of  ‘loper in drassige weiden’. Ofwel kies je voor het Oudhoogduitse ‘odobero’ (geluksbrenger of schatdrager). Want die Oudhoogduitsers geloofden dat de ooievaar geluk bracht aan de bewoners van het huis waarop ie broedt. O ja … en regelmatig was dat geluk vermomd als een baby. :-)

De flatteuze flamingo

De naam voor de suikerspinroze flamingo verwijst naar het Latijnse ‘flamma’ of het Franse ‘flam(b)ant’. In ieder geval, iets dat ‘vlammend’ betekent – geïnspireerd op de typische kleur van deze vogel. De bleke Vlaamse en Nederlandse kooplieden spraken eerst over ‘steltzwaan’ als ze er al eens eentje passeerden op handelsmissie in het zonnige zuiden. Inderdaad, omdat het beest zulke lange, ‘stijve’ poten heeft. In de veertiende eeuw bedachten de Portugezen de Vlamingen en Nederlanders met de geuzennaam ‘flamingo’, omdat hun lichte gelaatskleur veel weg had van de pluimen van de stijlvolle steltloper. Tja, toen verliep schelden nog beschaafd. Want er zijn lelijkere dieren waarmee ze je kunnen vergelijken, toch?

ElaN geeft je vleugels

Maakt de determinatie van een pimpel-, kool-, buidel-, kuif- of staartmees je vleugellam? Laat ElaN de taalkundige oplossing voor je dilemma uitvogelen. Dan heb jij intussen tijd om te ontdekken waar de kroet en de polifinario volgens de onnavolgbare 'ornitholoog' Toon Hermans  vandaan komen.

 

> Krijg telkens weer een tekst in 'gevleugelde woorden' van je ElaN-experts!